CHARLES SIMIC / Vertaling: Peter Nijmeijer

CHARLES SIMIC

Toen ik nog een snotneus was, heette ik Ovidius, Horatius, Catullus, Sextus Propertius en Martialis. Mijn specialiteit was het vermengen van het serieuze met het triviale, het frivole met het verhevene. Ik was een enfant terrible. Ik schreef regels als deze:

Haast je, wanneer ze op haar chaise-longue ligt,
Een voetenbank te vinden
Voor die tere voetjes van haar, haast je
Om haar in en uit haar slippers te helpen.
 
Of:
 
Wie ook maar een poging doet
De liefdes in jouw bed te tellen,
Zou zijn tijd beter besteden
Met het noteren van de sterren
Die schitteren aan de hemel
Of ieder korreltje zand
In Afrika’s woestijnland.

“Beter dat een metropool geplunderd,” schreef Robert Burton, “dat een koninklijk leger verslagen, een onoverwinnelijke armada tot zinken gebracht wordt, of dat twintigduizend koningen zouden sterven, dan dat haar tere pink pijndoet.” Zo dacht ik er ook over. Ik had niets te maken met het zootje windbuilen dat oden schrijft aan iedere onbeduidende tiran die hun weg kruist, dat hun veroveringen classificeert, hun slachtpartijen onder de barbaren verheerlijkt en hun onvergelijkbare wijsheid in tijden van oorlog en vrede looft. Ik stak de draak met de rijken en machtigen en roddelde over hun vrouwen en dochters, die zich in de kont lieten knijpen zodra hun echtgenoot of vader met zijn rug naar hen toestond. Ik spaarde zelfs de goden niet. Ik stelde hen voor als een gezelschap brallende, dronken, wraakzuchtige, seniele en zich aan partnerruil bezondigende geilaards. Ikzelf zwierf op alle uren van de dag door de straten van Rome, als het even kon aangeschoten. Ik werd duizend keer verliefd, en raakte mijn liefdes weer even snel kwijt – maar liet nooit na de hele wereld tot in de meest wellustige details kond te doen van de onvergelijkbare deugden en perversiteiten van mijn nieuwe geliefde. Toen raakte ik in moeilijkheden. Eén van ons werd door de keizer verbannen naar een godvergeten gat in een van de verste uithoeken van het keizerrijk. Intussen achtten zijn officiële beschermengelen de tijd rijp om de bevolking te waarschuwen tegen lyrische poëzie die, zo beweerden zij, niets anders was dan een pleidooi voor losbandigheid en een schaamteloze bespotting van alles wat wij als heilig beschouwen. Natuurlijk viel niemand de ingehuurde lofredenaars lastig. Zij, tenslotte, slooften zich uit om het ernstige ceremonieel van staat en kerk tegen ridiculiseren te beschermen. Nee, het lyrische gedicht met zijn intieme vervoeringen stond onder verdenking vanaf de tijd dat Sappho de rage begon door het individuele noodlot te verheffen boven het lot van de stam – en, zoals ze ons liet weten, liever genoot van Anactoria’s “lieftallige tred, haar fonkelende blik en haar gezicht, dan te staren naar de troepenmacht in Lydia, met hun strijdwagens en glinsterende wapenrusting.” Ik geef toe dat het de liefde voor dit soort oneerbiedigheden was die mij voor het eerst in de poëzie interesseerden. De aandrang om het gezag in de maling te nemen, taboes te doorbreken, het naakte lichaam te celebreren, te verkondigen dat je een engel gezien hebt en in één adem roepen dat er geen god bestaat, enzovoorts. De ontdekking dat het tragische en het komische altijd onlosmakelijk met elkaar verbonden zijn, deed me over de vloer rollen van geluk. Ook had de kunst van het verleiden van begin af aan mijn aandacht. Gewoonlijk draaide ik het volgende verhaaltje af: Als je je hemd uitdoet, liefje, en mijn tong laat kennismaken met de jouwe, dan zal ik je schoonheid in mijn gedichten bezingen en je naam zal voor eeuwig voortbestaan. Het werkte altijd. Lyrische poëzie is niets anders dan een eeuwenoude poging om onze onsterfelijke zielen met onze genitalieën te verzoenen. In de zogenaamd duistere middeleeuwen stond je overal tot aan je knieën in de modder en sliep het gemene volk ‘s nachts op de drekkige grond, knus en vredig in één grote omarming met hun kinderen, hun varkens en schapen, honden en katten, terwijl de hennen en de haan op de dakspanten boven hun hoofd waren neergestreken, en alleen het paard rechtop staand sliep en met zijn hoofd uit het raam naar dichters uitkeek. Eeuwenlang hadden boerenkinkels, net zo min als dames en heren van stand, niets anders om zich mee te vermaken dan een paar flarden gregoriaans gezang en het dagelijks aanbod van vloeken over het harde leven en het weer. De doorsnee-dichter was een eenzame monnik, vergeven van de luizen, veroordeeld tot een zwervend bestaan op het platteland, iedere avond bedelend om een handvol broodkruimels en wat stro om op te slapen op het tochtige kasteel van een of andere rijkaard, waar hij in ruil voor de betoonde gastvrijheid een hele reeks van pikante liefdesgedichten, vrome heiligenlevens, drinkliederen, klaagzangen, trouwe-echtgenote-gedichten, insinuerende satires op de gedragingen van de Koning en de Paus ten gehore bracht, en ondertussen er angstvallig voor zorgde dat het moordzuchtige en dronken gezelschap aan tafel lachte en zelfs een traan liet omdat hij er zo hongerig en koud, zo mager en ellendig uitziet nu hij – o, de zoetgevooisde stem van de nachtegaal in het bos! – zelfs zijn mantel en kniebroek bij het dobbelspel had verloren!

Ik richt mij tot u in ellende en tranen

Gelijk het hert, als zijn kracht het begeeft.

Ik was die kleine dief van een Villon die bijna met zijn nek in een strop eindigde, ik was Guillem IX, de hertog van Aquitaine die zijn gedichten snurkend in zijn zadel schreef, Shakespeare, van wie sommige geleerden beweren dat hij niet echt zo heette maar iets anders, Signor Dante die ons meenam op een uitgelezen rondreis door de hel om ons voor te bereiden op de verschrikkingen van de twintigste eeuw, en vele anderen. Mijn dierbaarste herinnering geldt ene Thomas Bastard, die leefde van 1566 tot 1618 en wiens leven en carrière door mijn bloemlezing uit de Eliabethaanse poëzie ongeveer als volgt omschreven worden:

Barnard, een plattelandspredikant die erbarmelijk weinig vooruitgang in het leven boekte, publiceerde zijn boek in 1598. Het werd regelmatig belachelijk gemaakt. Bastard stierf, gekrenkt tot op het bot, in een gevangenis voor schuldenaren in Dorcester.

Het was net als de parabel van de klerenkast. Het ene seizoen droeg ik een bepoederde pruik, reed ik in een glazen koets, krabbelde ik tussen duels door sonnetten op de manchetten van mijn hemd, terwijl ik mijzelf onderbrak om het klassieke metrum en de beperkingen van de vorm lof toe te zwaaien, het volgende moment was ik een revolutionair met wilde haardos die aanmoedigingen schreeuwde vanaf een echte of denkbeeldige barricade en beweerde dat dichters niemand minder dan de niet-erkende wetgevers van de wereld waren.

Wat een lef, hoor ik u zeggen. Ha! Wacht maar tot ik u over mijn Amerikaanse avonturen vertel.

II

Columbus was de haven nog niet uit om terug te varen naar Spanje, of ik begon al dichtregels neer te krabbelen. Het zal wel aan het klimaat in de nieuwe wereld hebben gelegen: heet en vochtig in het zuiden, grauw en koud in het noorden, maar het duurde ettelijke jaren voor ik een fatsoenlijk gedicht in dit uitgestrekte, mysterieuze land had geschreven. Hoevelen herinneren zich nog dat de eerste ontdekkingsreizigers en kolonisten verwachtten dat ze de Chinezen achter de volgende horizon zouden tegenkomen? De Fransman Nicollet schafte zich in Parijs zelfs een met bloemen en vogels geborduurd gewaad van damast aan, alleen maar om op de juiste manier gekleed te zijn wanneer hij de hele prairie was overgestoken en zich eindelijk kon neervleien om thee te sippen en te smoezen met de een of andere oude mandarijn. Hoe dan ook, er waren jaren van slaapwandelen nodig om mij de ogen te openen voor de werkelijkheid waarin ik mij bevond.

Vergeet Eldorado en de Fontein van de Jeugd. Vergeet de duivel in het bos en de bevallige heksen die zich dansend strippen rond zijn kampvuur. Vergeet de oosterse kruiden en de exotische geuren. Hier had je makabere kleine steden met fabrieksmuren zwart van ouderdom. Hier had je huurkamers volgepakt met mannen en vrouwen die vanwege de kou dicht tegen elkaar kropen, met opgetrokken knieën, liggend op hun zij, hun hoofd op de met kakkerlakken bezaaide vloer. Hier had je vervallen huurkazernes bevolkt door een bonte verzameling loners, excentrieken, derderangs dichters en nog tientallen andere soorten mislukkelingen. Maar wat werd de Nieuwe Wereld snel oud. Poe, Melville en Hawthrone voelden zich al levend begraven. De ogen van hun mannen en vrouwen zijn vaak dof, hun helden lijken lusteloos. Maar voor anderen, zoals Ralph Waldo Emerson, bleef Amerika een land om nog echt te ontdekken.

De Amerikaanse revolutie vond plaats in 1789; de declaratie van de literaire onafhankelijkheid moest wachten tot de jaren veertig van de vorige eeuw en de essays van Emerson:

“De dichter is het oog en de sprekende tong van alle levende en alle levenloze dingen.” “Poëzie is niets minder dan een door God aangesteld medium. God zelf spreekt niet in proza, maar communiceert met ons door middel van hinten, tekens en nog niet waargenomen gelijkenissen in de ons omringende voorwerpen,” schreef hij.

“Wijsheid,” vertelt Emerson ons, “bestaat onveranderlijk uit het zien van het wonderbaarlijke in het gewone.” Maar ook: “Ik zoek tevergeefs naar de dichter die ik beschrijf.”

Toch hoefde hij niet lang op die dichter te wachten. Hij had de woorden nog niet uitgesproken of daar verscheen Walt Whitman, die verklaarde dat de “Amerikanen van alle naties, waar en wanneer ook op aarde, waarschijnlijk de meest poëtische geest bezitten,” en dat “de Verenigde Staten in wezen het grootste gedicht zijn.” Dit is wat je moet doen, zegt Whitman: “Heb de aarde, de zon en de dieren lief, verfoei weelde, geef aalmoezen aan een ieder die er om vraagt, kom op voor de dommen en de idioten… haat tirannen… wees kritisch tegenover alles wat je op school of in de kerk of door welk boek dan ook is verteld, wijs alles wat je ziel beledigt af en je vlees zelf zal een groot gedicht zijn.” Geloof me of niet, ik voelde me direct thuis in Amerika.

In Whitmans visionaire optimisme is de Amerikaanse dichter degeen die ons het nieuws brengt dat het laagste even heilig is als het hoogste. In alle dingen sluimeren waarheden die er alleen maar op wachten ontdekt te worden. Whitman stelt voor gedichten te maken over dingen die over het hoofd gezien worden, dingen die doorgaans met minachting worden bekeken. Eén van Whitmans grootste poëtische uitvindingen is die van de “catalogus”. Onder zijn lange gedichten gaat een ambitie schuil om zich iedereen te herinneren, om iedereen op te nemen, en iedere individuele bezigheid en lotsbestemming als het ware te catalogiseren in een daad van goddelijke alwetendheid. Het aantal onbekende helden is minstens even groot als de helden die we kennen, zo verzekert hij ons, en hij zal ze allemaal noemen.

Het kost me moeite Whitman te weerstaan – en toch heeft zijn grote omhelzing Amerikaanse dichters altijd in verlegenheid gebracht. In de laatste eeuw is hij zowel verafschuwd als bewonderd. Zelfs zijn mentor Emerson, die zijn debuut begroette als de vervulling van zijn eigen dierbaarste verwachtingen, vond hem uiteindelijk teveel van het goede. In een land dat gesticht was door volgelingen van Calvijn, bleven Whitmans overdadige loftuitingen aan het adres van alles wat met seksualiteit te maken had een permanente bron van irritatie.

Gelukkig voor ons hebben we Emily Dickinson als Whitmans tegenpool, een dichteres die wantrouwend en terughoudend staat tegenover zijn utopische grandeur en zelfverzekerde retoriek.

Dickinson meent dat wij mensen in een betoverende gevangenis leven, een spookhuis, een duister labyrint, een ondoordringbaar woud, gevangen in een eindige oneindigheid, een onzekere zekerheid, verdwaald in een doolhof van oxymoronen en paradoxen in een universum waarvan het belangrijkste kenmerk dubbelzinnigheid is.

Dickinsons visioen is een tragische. Ze beseft dat we duur betalen voor ieder extatisch moment dat we aan ons leven ontrukken. Voor haar is een dichter een kluizenaar, een heimelijke lasteraar en op z’n best een heldhaftige mislukking. En toch heeft haar onvermogen om aan grenzen en beperkingen toe te geven iets van de houding van Whitman. Allebei zijn ze dol op visionaire ervaringen.

Wat de Amerikaanse poëzie interessant maakt, is het idee dat het schrijven van poëzie, dat het gedicht de plek kan worden waarop fundamentele epistomologische, metafysische en estetische vragen gesteld en beantwoord kunnen worden. Poëzie is voor Emerson, Whitman, Dickinson en zovele anderen, het proces waardoor ideeën getoetst en benadrukt worden, een proces dat ideeën zowel tot een persoonlijke als kosmische probleemstelling maakt. Of, zoals Dickinson het formuleert: “Mens te zijn is meer dan God zijn, want Christus was pas tevreden toen hij mens was geweest.” Dat is prachtig. De worsteling van de dichter mag dan een eenzame strijd zijn, zij is niettemin ook een worsteling die als voorbeeld kan dienen. Wat een ideale situatie om zichzelf in te bevinden, vooral voor een immigrant! De duizelingwekkende ambitie van de Amerikaanse poëzie om alle belangrijke filosofische en theologische vragen te beantwoorden jent geen weerga. Haar vermenging van empirisme en idealisme mag dan zijn oorsprong vinden in de Britse en Duitse romantiek, zij overtreft hen met de bijna verbitterde kracht waarmee zij tot stand komt. De vuurpelotons en martelkamers zouden dag en nacht moeten werken na het aanhoren van uitspraken als deze:

“De dichter is – als hij aan het schrijven is – een priester; het gedicht is een tempel; openbaringen en communie vinden in het gedicht plaats.” Dat schreef Denise Levertov twintig jaar geleden.

Onze dichters zijn een merkwaardig soort spirituele ontdekkingsreizigers. “Geen ideeën over dingen, maar de dingen zelf,” beweren we. We houden vol dat we steeds vanuit het nulpunt beginnen, onderaan de ladder als het ware: naakt, zonder geschiedenis, vaak ook zonder enig geloof, religieus of anderzins, omhoogklauterend langs een denkbeeldige ladder richting hemel om voor onszelf uit te vinden waar alle ophef nu eigenlijk over gaat.

De Amerikaanse literatuur is een grote fabriek van paradoxen. Aan de ene kant verlangen we ernaar zeldzame visionaire gemoedstoestanden uit te drukken en te belichamen, en aan de andere kant willen we onze lezers een harde en droge kijk op de alledaagse werkelijkheid voorschotelen. “Letterknechten van de verbeelding,” wilde Marianne Moore dat we waren. Een plek vinden voor de oprechte kunstgreep die we poëzie noemen, is ons nationale concept.

We zouden kunnen opscheppen dat het origineelste wapenfeit van de Amerikaanse literatuur bestaat uit de afwezigheid van een “officiële” literaire taal en ons hardnekkige geloof dat je mensen alleen maar iets over engelen kunt vertellen door hen eerst een grasspriet te laten zien.

III

Ach ja, de tweeduizend jaar oude dichter! Het is niet gemakkelijk te zijn wie ik ben na alle vijandigheden en pech die ik heb gekend. U zou de nachtmerries eens moeten zien die ik kreeg van het schrijven van al die slechte gedichten. Er gaat geen dag voorbij of een professor heft haar vinger tegen me op. Onlangs nog werd ik omschreven als een miezerige fascist die vol zelfbeklag met zijn bekrompen en fallocentrische bombast leurde. Twintig eeuwen lang ben ik op hoongelach onthaald, beste vrienden. Op sommige ochtenden, als het vochtig weer is, krijg ik een stijve nek alsof ik nog steeds Sir Walter Raleigh was, veroordeeld wegens blasfemie en opruiing en in de Tower van Londen wachtend op de bijl van de beul.

Mijn visie op al deze eeuwen? De één nog erger dan de ander, als u het mij vraagt. Heel af en toe een opklaring aan de hemel, een middagdutje in de schaduw in de armen van de enige echte, misschien een kus of twee, en dat is het wel zo’n beetje. Vroeg of laat is de maaltijd verorberd, loopt de laatste druppel tomatenketchup langs je kin en blijf je zitten met een paar kippebotjes op je bord. Voor de rest van de tijd is het alleen maar: oorlogen, plagen, hongersnoden, vervolgingen, verbanning en honderden andere rampen en calamiteiten.

U denkt misschien dat ik overdrijf? U stelt zichzelf natuurlijk voor in een palazzo in de Renaissance, bediend door talloze attente bedienden terwijl u over de schilderijen van Titiaan en Campanella’s Stad van de zon discussieert met prinsen en adellijke sletjes. Laat me niet lachen. Ik zie alleen maar open riolen in de straat waaruit de stank van paardedrek en menselijke uitwerpselen opstijgt, terwijl iets verderop een twaalfjarige heks door de Inquisitie op de brandstapel verbrand wordt.

Ik weid hierover uit omdat “echte” dichters altijd al geweten hebben hoe de zaken ervoor stonden. Geluk, liefde en het visioen van de Almachtige en zijn engelen doen zich slechts zelden voor. Op het moment dat je een mondvol van deze gelukzaligheid, van deze kruimel volmaaktheid, mag proeven en van de smaak geniet en je lippen erbij aflikt – oeps! Je huis vliegt in brand, iemand gaat er met je vrouw vandoor, of je breekt een been. Vandaar dat de dichtkunst op haar best is wanneer zij zich in het hart van de menselijke komedie bevindt. Er bestaat geen betrouwbaarder verslaggeefster van wat het betekent vast te zitten in deze eeuwige blik wormen. Ik ben van mening dat poëzie onvermijdelijk, onvervangbaar en even noodzakelijk als ons dagelijks brood is. Zelfs wanneer u in het meest belabberde land ter wereld woont, in een tijd van ongeëvenaarde ellende en domheid, dan nog zal er poëzie geschreven worden en zal haar schoonheid en welsprekendheid u hoop verschaffen.

Ik weet wat u dwars zit. Al die hyperbolen en verfraaiingen die dichters geneigd zijn te gebruiken, al die bizarre beelden en nonsens die ze u constant in de maag splitsen. Dichters weten dat liegen de enige manier is om de waarheid te vertellen. Ze vertrouwen volledig op hun metaforen, ook als hun verbeelding soms een wilde vlucht neemt. Poëzie is trouwens de enige plek waar een onverbeterlijke leugenaar een eerlijk bestaan kan leiden zo lang hij of zij echt goed kan liegen.

Het heeft tweeduizend jaar geduurd, maar eindelijk is de oude dichter beroemd geworden. Zelfs in uithoek als Argentinië staren jonge huisvrouwen urenlang naar zijn foto, bewonderen ze zijn krullen en worden dan krankzinnig, net als Ophelia. Ze gaan buiten slaapwandelen in hun witte nachtjaponnen en blijven met stijf dichtgeknepen ogen onder een eenzame straatlantaarn staan, zetten twee dromerige passen naar voren, één dromerige pas achteruit…

Op die manier werd trouwens de tango uitgevonden, net zoals zovele andere dingen die de mensheid ten goede kwamen… Zoals de idee van betekenis, bijvoorbeeld.

Hoort u wat ik zeg?

Het leven zou volstrekt zinloos zijn als de dichters u niet keer op keer vertelden dat al uw amours, al uw pijn en leed, al uw lievelingsherinneringen wel degelijk van grote betekenis en van belang zijn, zelfs begrijpelijk, en dat u, op het moment waarop alles gezegd en gedaan is, eigenlijk geen reden hebt om over wat dan ook te kniezen, zolang er dichters zijn die het tobben dag en nacht van u overnemen.

 

Vertaling: Peter Nijmeijer

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google photo

You are commenting using your Google account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s