On the lightness and the fleetingness of things (Over de luchtigheid en de vluchtigheid der dingen) / Hannie Rouweler

 
Hannie Rouweler
 
 
On the lightness and the fleetingness of things
 
I don’t know what you think, but today I had the strong feeling: there is so much lightness and transience in poetry. Or am I wrong? Maybe I belong to a different generation, with more depth in things and experiences than in an abstract tone, with little passion, recording core happenings, incidents and important milestones, events, in one’s life. With or without a clear reference to history, a place, an event that changed a lot. I don’t know.
I often wonder what time we live in, or times. I read somewhere, in the past, that there are many parallel worlds, world views. I think it has to do with that and also the age. The older the crazier or the older the more it sinks, holes in time, holes in relationships, holes in perceptions, holes in words. So there are also gaps in the language. And then I’m not even talking about the impossible, and which can hardly be expressed, the ineffable, unspeakable.
Poems contain a direct or indirect mystery, refer to the unfulfilled and the unfinished or illuminate only a few aspects. Anyway, in what way you might look at this box, the magic box, there should be something to be see and reported. I must come from a different era, in which passion for the theme still prevails, however imperfect or flawed or sometimes one-sidedly described. Life itself already contains many riddles, mysteries. I wouldn’t like to be a critic or participate in a jury these days. I would lump the majority together: rubbish, waste, suitable for the trash can or at the bottom of the sea or buried in your own garden or someone else’s. Each period requires a different approach, you should certainly remain open to all possibilities and angles. That is already a requirement. The parameters have to be adjusted again and again, but I reject a vague wording in advance. I have always said that the poet should be the guide of his own language. So poets, do process more data for illustration or explanation in your own words, so that a reader can bounce back to his own imagination and mind to understand, catch, fill in the form of expressions.
It can’t be just me, I think now, so close to Good Friday, the agony of Jesus, the sacrifices made to free man from his yoke, his guilt. It must be something else. Reflection, too, must keep some gloss in itself and not get bogged down in dull words or meaning. In that case it no longer has any function, no carrying capacity.
 
 
Over de luchtigheid en de vluchtigheid der dingen
 
Ik weet niet wat jij denkt maar vandaag had ik toch sterk het gevoel: wat is er veel luchtigheid en vluchtigheid in de poëzie. Of vergis ik me? Misschien hoor ik bij een andere generatie, met meer diepgang in de dingen en ervaringen dan op abstracte toon, met geringe passie, het vastleggen van gebeurtenissen, incidenten en belangrijke milestones, kern gebeurtenissen, in iemands leven. Met of zonder een duidelijke verwijzing naar de geschiedenis, een plek, een gebeurtenis waardoor veel veranderde. Ik weet het niet.
Al vaker vraag ik me af in welke tijd we leven, of tijden. Ergens las ik, vroeger al, dat er veel parallelle werelden, wereldbeelden, bestaan. Daar zal het denk ik mee te maken hebben en eveneens de leeftijd. Hoe ouder hoe gekker of hoe ouder hoe meer gaat zinken, gaten in de tijd, gaten in relaties, gaten in waarnemingen, gaten in woorden. Dus ook gaten in de taal. En dan spreek ik echt nog niet over het onmogelijke, dat wat zich nauwelijks laat verwoorden, het onuitsprekelijke.
Gedichten houden een direct of indirect mysterie in, verwijzen naar het onvolbrachte en het onvoltooide of belichten daarvan slechts enkele aspecten. Hoe je ook naar deze doos, de magic box, kijkt er zal iets te zien en te melden moeten zijn. Ik zal wel van een andere tijd stammen, waarin de passie voor het thema nog steeds opgeld doet hoe onvolmaakt of gebrekkig of soms eenzijdig ook beschreven. Het leven op zich bevat al veel raadsels. Ik zou niet graag een recensent willen zijn, en ook niet in een jury willen zitten in deze tijd. Het merendeel zou ik op een hoop gooien: rommel, afval, geschikt voor de prullenbak of op de bodem van de zee, begraven in je eigen tuin of die van een ander. Elk tijdvak vraagt om een andere benadering, je moet zeker open blijven staan voor alle mogelijkheden en invalshoeken. Dat is zo al een vereiste. De parameters moeten steeds weer bijgesteld worden maar een vage verwoording wijs ik toch bij voorbaat af. Altijd heb ik gezegd dat de dichter de gids moet zijn van zijn eigen taal en taalgebruik. Dus dichters, verwerk meer gegevens ter illustratie of toelichting in je eigen woorden, zodat een lezer kan meedeinen op zijn eigen verbeeldingskracht en denkvermogen de uitdrukkingsvormen te kunnen verstaan, begrijpen, invullen.
Het kan niet alleen aan mij liggen, denk ik nu, zo vlak voor Goede Vrijdag, de lijdensweg van Jezus, de offers die zijn gebracht om de mens van zijn juk, zijn schuld, te verlossen. Het moet iets anders zijn. Ook een bespiegeling, reflectie, moet enige glans in zichzelf bewaren en niet verzanden in matte woorden of betekenis. Dan heeft het m.i. geen functie meer, geen draagkracht.
 

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s