Yvon  Né -dichter, schrijver, beeldend kunstenaar / Interview: Hannie Rouweler

Yvon Né

dichter, schrijver, beeldend kunstenaar

“Hier mag niets af zijn”

Je bent een bekende dichteres in Nederland. En een begenadigd kunstenaar waarvan het werk veelvuldig wordt tentoongesteld. In vele gevallen is er bij een duo-talent sprake van, dat het een meer gewaardeerd wordt dan het andere. Dus bv. de poëzie meer dan het beeldend werk. Ik durf wel te stellen dat bij jou dit echter niet opgaat. Zowel als kunstenaar als dichter heb je naamsbekendheid. Kun je ons iets laten weten hoe je werkt. Heb je periodes dat je veel dicht, schrijft, afgewisseld met schilderen? Of loopt dat door elkaar.

Ze wisselen elkaar af en zijn in balans. Het is niet zo dat ik tijdens het maken van een beeldend werk behoefte krijg aan een taalvorm of tijdens het proces van formulering een beeld wil maken. Ze bevinden zich als het ware in aparte kamers zonder verbindingsdeur. Ik ‘denk’ in beelden, dat is wel zo. Maar ik ‘hoor’ ook stemmen. Beide benaderingen horen bij mijn leven.

Opdrachten gaan altijd voor. Als ik voor iemand een tekst schrijf – dat kan een gedicht, verhaal of essay zijn – dan vraagt deze niet óók om een beeld. Maar daarná grijp ik meteen naar potlood, inktpen of penseel. Omgekeerd is dat ook zo, als ik voor iemand een schilderij of monumentaal ontwerp maak, dan schrijf ik daar geen tekst bij. Maar is die opdracht klaar, dan stort ik me op de taal. Sommige opdrachtgevers willen de combinatie, dan roepen in mijn atelier zowel regels als beelden om mijn aandacht.

Ze houden me in evenwicht. Misschien vooral omdat de taal geen vanzelfsprekend medium voor me is. Als kind begon ik laat te spreken. Ook als tiener kende ik perioden waarin ik nauwelijks sprak. Buiten mijn wens. Ik vond dat beangstigend. Was bang mijn taalvermogen te verliezen. Ook heb ik grote behoefte aan direct fysiek contact met de wereld om me heen. Van mijn middelbareschooltijd staat me sterk bij dat ik me opgesloten voelde in mijn hoofd. Dat was evenzo beangstigend. Dit was de reden dat ik definitief en radicaal voor de kunsten koos. Ik was zestien of zeventien en had me al ingeschreven voor een studie Nederlands aan de universiteit in Leiden.

Je Verzamelde gedichten 1990-2005 geven een goed inzicht in je dichterschap. Ik ben de gelukkige bezitter van dat dikke boek van 430 bladzijden met een toepasselijk voorwoord van Michael Zeeman. Ik ben steeds verrast door je wijze van dichten, het laat zo veel open. Opvallend is dat. Het vult slechts deels in, inhoudelijk. Het krijgt daardoor iets algemeens.

Wil je svp enkele citaten vermelden, met de bron, die jij typerend vindt voor je gedichten.

Algemeen, algemeen… Nou, zo algemeen zijn ze niet, hoor, ze zijn wel degelijk persoonlijk en bijzonderheden bevatten ze óók. Ik kan mezelf of ‘de mens’ niet als middelpunt van het bestaan zien, dat is wél waar. De gedichten tonen dat. De mens die zichzelf als middelpunt van alles ziet, waarvoor andere standpunten moeten wijken, is van het aanmatigende soort, en legt zichzelf enorme beperkingen op. Een mens is een wezen tussen de andere aardse wezens en verschijnselen. Niets en niemand staat daarvan los. Er is grote verbondenheid en samenhang, of je dat nu wilt of niet. Dit is bepaald niet ons dagelijks uitgangspunt en hoe destructief dat uitpakt is overal om ons heen te zien. Maar: ik schrijf als mens, vanuit mijn mens-zijn en vóór mensen, aan mensen. Als een uitnodiging aan mijzelf en aan mijn medemensen om iets vanuit een ander standpunt te zien en door een andere lens. Het ego verhindert het vrije doorzicht, is conservatief, beperkt en zeer angstig. Met mijn gedichten verken ik wat ik aantref in de ruimte om me heen, maar ook ín mij.

Het is best lastig om zélf citaten te geven. Ik zou me liever laten verrassen… Nou goed, ik kies iets uit ‘De werkelijkheid houdt het lang vol’ (2014). Ook in deze bundel botst de ik-persoon steeds op tegenstellingen in de realiteit. Verbindingen komen tot stand en breken in stukken. Intimiteit en vrijheid worden gewonnen op regels, wetten en dwang vanbinnen of vanbuiten. Niets houdt lang stand. Alles is voortdurend in transitie.

Het gedicht ‘transfiguratie’ gaat over een verkeerd aangesloten autoradio (waargebeurd) en de gevaarlijke toestand die toen ontstond. Tegelijk worden maakbaarheid en menselijke berekening hierin op de hak genomen. Een regeltje ‘uitnemen’ past eigenlijk niet. Dat geeft een verkeerd beeld.

In ‘splinters’ krijgt de kleuter die de ik was een presentje, midden in het gedicht dat over heiligenrelieken gaat en dat wij mensen ons moeten verlaten op ‘verwijzingen’ van allerlei soort. Dat dit dus niet zoveel van elkaar verschilt! Nee, het bevalt me eigenlijk niks om op deze manier over mijn gedichten te spreken.

Ik vat een gedicht op als een geheel. Pas als het één is, is het oké. Alle woorden blijven meedoen. Als in een dans.

Ik citeer dan liever één gedicht in zijn geheel:

motet

Het is wat kan gebeuren.
Het is de samenspraak die nog niet is.
Het is wat alle schoenen namen geeft.
Het is zoals het is.

Wij die bang en koud zijn
zijn wij die vrij zijn.
Op dansschoenen.
Le petit mot.

Terwijl ik me vasthoud
verlang ik los te komen.
Ongelovig in wat is, geloof ik
in de uitgebreidheid van de wereld.

Op modderlaarzen
begeef ik mij naar de drempel.
Op afgetrapte gympen
naar een zangstuk van Bach.

Ik zie het steeds anders.
Es ist nun nichts Verdammliches.
Ja, ja, zo is het. Ja! zeg ik.

Ah! hier wonen de muzen.
In een drempel schuilt de tempel.
Dat dit nu net hier is.

Je gedichten verdienen het om in meerder talen vertaald te worden. Zijn er al vertalers gevonden, liefst een wereldtaal zoals Engels? Het Letteren Fonds zou een vertaler kunnen inschakelen voor je gedichten en eveneens een buitenlandse uitgever. Het zou je gedichten over de grenzen trekken.

Daar zou ik héél blij mee zijn. In 2005 heb ik samen met Liz van Zimmeren een reeks gedichten van mij vertaald. De uitgever wilde een Nederlands-Engelse editie. Zonder Liz’ kennis van het idioom – ze is Engelse van geboorte en zeer taalgevoelig – was me dat niet gelukt. Het is een goede vertaling geworden. Ik begon me thuis te voelen in het Engels! Ik vind het jammer dat er verder nooit een opdracht naar een vertaler is gegaan voor mijn werk. Lezers merkten op dat mijn roman ‘Het scheve meisje’ aansluit bij de Franse literatuur en dat het boek in het Frans zou moeten worden vertaald. Is niet gebeurd natuurlijk. Alles – echt alles – wordt door winstverwachtingen aangestuurd, dus zover komt het gewoon niet. Ik heb wel gedacht – misschien ijdele hoop, hoor, elders ronkt de commerciële motor vast evenzo hard en luid – dat mijn werk in het buitenland meer waardering zou krijgen. Voor het Nederlandse publiek is een tekst nooit eenvoudig en duidelijk genoeg. En het moet natuurlijk ‘leuk’ zijn. Maar ik leef op bij de ambivalentie, de meerduidigheid, het raadsel dat alles – ís. O jee, dat is zó fout alhier! En ik beoog zeker niet om de boel bewust onbegrijpelijk te maken, nee, helderheid staat voorop en je vindt bij mij geen moeilijke woorden. Wat écht dubbel is: de commercie die alles overwoekert hanteert bij uitstek de zeis. Blijft over: eenvormigheid en enkele personen die haar zegen hebben gekregen en ‘dóór mogen’.

Je schrijft boeken. Het laatste is Het Scheve Meisje. Wil je iets vertellen over de inhoud van het boek. Waarom is dat meisje scheef. De titel suggereert dat er veel mis is en dat dit meisje anders is dan andere meisjes of dat er op z’n minst iets bijzonders, afwijkends is. Heeft het boek een bepaald onderwerp, thema, of is het puur fictie.

Het is letterlijk gezegd door de kraamverpleegster na mijn eigen geboorte. ‘Wat is dát kind schééf!’ Mijn moeder dacht dat het nooit meer goed zou komen. Viel mee, een slingering in mijn wervelkolom – scoliose genaamd – waar niks meer van te zien is.

Nu lijkt het alsof ik met dit behoorlijk autobiografische verhaal mijn eigen principes verraden heb. Maar ik zie het als een roman, als fictie, omdat het verhaal vooral door de taal wordt gedragen. Taal maakte het mogelijk de voorbije kindertijd opnieuw voor ogen te halen en tegelijkertijd intact te laten. Dat laatste is vooral iets van het innerlijk. De ervaringswereld van het meisje had ik bewaard, die vanbinnenuit, niet de taal, die was destijds helemaal niet beschikbaar voor mij. Fictie moet altijd naar waarheid worden geschreven. Ook, júíst, wanneer alles verzonnen is.

Het boek stelt maakbaarheid tegenover natuur, de natuur van een kind in dit geval, de menselijke natuur. In de jeugdgeschiedenis van het scheve meisje is alles scheef. Er is uiterlijke en innerlijke asymmetrie in de onderlinge verhoudingen. Niets gaat zoals het moet – en: hoezo moet? – gaan. Ieders verwachtingen staan het leven van het meisje – zoals het op ‘natuurlijke wijze’ geleefd kan worden – naar aard en omstandigheden – behoorlijk in de weg. ‘Jij hebt niks te willen’ was een normale leefregel voor kinderen. Ook dat geeft ongewenste kronkels als je opgroeit.

Aan de andere kant: deze bewegingen hóren bij opgroeien.

Je gedichten zijn getoonzet o.a. door de componist Daan Manneke. Hoe ging dit te werk en hoe was de samenwerking. Wat was de aanleiding voor de madrigalen die je schreef en waar haalde je je inspiratie vandaan om dit werk te realiseren?

De componist Daan Manneke was bij mijn eerste tentoonstelling in een Bredase galerie aanwezig en direct geïntrigeerd. In die galerie leerde ik hem kennen. Ik maakte al gauw kennis met zijn muziek die mij betoverde. Muziek speelt een belangrijke rol voor mij. Kon ik maar een werk maken dat zó direct binnenkomt als muziek dat kan. Het spirituele aandeel in muziek is ook erg belangrijk. Zeker in de muziek van Daan Manneke. Het ‘ruimtelijke’ aspect, zou je kunnen zeggen. De geboorte van klank in de ruimte, het begin van de tijd, van zijn reis door het lichaam en door de wereld, naar en door de geest. Waar dan alle indrukken zo fijn worden verdeeld en verspreid dat ze zich niet meer laten onderscheiden. Op een nieuwe manier ruimte, licht en weer stilte worden. Daar werk je aan als kunstenaar en tegelijk besef je dat je daar helemaal níét aan kunt werken. Waar het om gaat, dat voltrekt zich. Dat moet je kunnen laten gebeuren.

We voerden gesprekken. Verschrikkelijk leuke, zich eindeloos vertakkende gesprekken. En die hebben we nog steeds.

De concrete werkelijkheid, met al zijn historische kunstschatten en banale feiten van toen en nu, alles is stof, alles bevat stof… Ja, die verwijzingen weer, hè… Gelukkig vraagt tekst die gezongen wordt om rigoureuze beperkingen…

Ik koos een extra strenge vorm, die van het madrigaal, exacte aantallen regels en lettergrepen… De Madrigalen waren trouwens een opdracht van de stad, dat was extra leuk.

Je bent geboren in Zeeland en al jong naar Breda vertrokken. Voor veel dichters zijn de jeugdjaren van invloed op hun werk, zijdelings of direct. Gaat dit ook voor jou op? Welke herinneringen aan Zeeland zijn jou het meest bijgebleven als kind?

Lange tijd heb ik Zeeland gemeden. Alles wat aan mijn jeugd deed denken vloog me aan, kneep alles dicht. Maar ik houd van het landschap, voel me enorm verbonden met de zee, het water, het kwetsbare land. Zijn terughoudendheid, zijn eerlijkheid. Altijd tegenwind, haha. In alle opzichten. Ik vrees dat dit nooit uit me wegslijt. Niks aan te doen. Ik werk niet bewust met mijn herinneringen aan Zeeland. ‘Het scheve meisje’ was de grote uitzondering. Het bewustzijn dient zich terughoudend op te stellen. Moet er altijd bij zijn, maar niet op de voorgrond.

Waar ben je momenteel mee bezig?

Ik begin binnen een paar weken aan de revisie van mijn tweede roman die ik onlangs afmaakte. Dat zal veel van me vragen. Nu werk ik aan een prent in opdracht, compositie met een mooi paviljoenbouw in schitterende natuur, in een oplage van acht. En talloze kleinere tekeningen van figuren… Vrij werk. Ik maakte vroeger reusachtige tekeningen. Nu prefereer ik kleiner werk. Lijkt me beter, in deze wereld die overvol is met megalomane werken… Ja, over afmetingen, waarden en verdelingen, daar is het laatste woord nog niet over gezegd…

Ben je van plan om in Breda te blijven wonen? Wat boeit jou in deze stad.

Ik kwam er terecht vanwege mijn studie aan de kunstacademie. Mijn ouders bepaalden dat dit het meest dichtbij huis was en ver genoeg van de Randstad, de kunstrichting vonden ze al gevaarlijk genoeg. Ik heb Breda van begin af aan als een warm bad ervaren. De ongedwongenheid van de bewoners, deze vrijheid van spreken en omgang kende ik voorheen niet. Ik kan hier heel goed werken. De stad heeft zeker ook iets van een dorp. Dat kun je natuurlijk van veel steden zeggen. In alle steden ontstaat ook altijd weer de kleinschaligheid van een dorp. Ik mis hier wel een rijk cultureel leven, ik mis musea, galerieën. Het is minder geworden, veel minder. Minder spreiding, minder diversiteit, minder kansen wat betreft de kunst. Als je bij voorbaat de attractiewaarde wilt bevestigen, tja, wat krijg je dan…? Toeristische betekenis…? En wat is dat?

Voor mij geldt: waar ik ben, leef, woon, werk, beweeg, daarmee verbind ik me. Dat moet wel een stad zijn, liefst met historie. De Grote Kerk draagt die historie hier alleen al, in haar eentje. Nee, ze is niet zomaar een kerkgebouw, haar aanwezigheid voelt iedere bewoner, op een verrijkende manier…

Maar: vind je het ook niet vreemd, dat in dit hier en nu waarin we voortdurend wereldwijd met elkaar in verbinding staan, de beperking van je fysieke plekje op de wereld nog zó meetelt?

Kun je iets vertellen over je beeldend werk. Eveneens de exposities in galeries, musea. Zijn er particulieren die jouw doeken aanschaffen?

Ik leef van mijn beeldende kunst, dus jazeker. Het aantal mogelijkheden om het werk op een goede manier aan het publiek te laten zien is echter gedecimeerd dankzij het beleid van de actuele politieke lichtingen. Het is te zot voor woorden dat deze zó’n kaalslag kunnen bewerkstelligen: de persoonlijke onwetendheid van politici én dat het ze ook nog eens erg goed uitkomt om kunstonvriendelijke uitspraken te doen, vanwege dezelfde onwetendheid bij de kiezersmassa die op eerloze manier voor hún karretje wordt gespannen. Ja, zo voltrok die afbraak zich, in angstaanjagend korte tijd! De economische crisis sloeg de rest van de rijke bodem weg.

Ik toon graag mijn werk en heb dit tot voor kort ook alle jaren gedaan. Maar het is te kostbaar geworden. Ook in de beeldend kunst heeft de zucht naar geldelijk rendement heel veel misvormd en vernietigd. Berekening is de nekslag voor intimiteit. Ervaring van kunst is namelijk een intieme ervaring. Je hebt lef nodig om je persoonlijk te laten inspireren. Even niet alleen te horen wat ánderen vinden, wat de groep vindt, of erger: wat ‘iedereen’ vindt… Alleen de intieme ervaring – in de eigen persoonlijke kern – kan mensen de vonk van verwondering en inzicht geven. Ontvankelijk zijn is een persoonlijke, intieme kwestie. Iets van de binnenkant dus; niet van de buitenkant. Nou ja, kijk maar om je heen, hoe butienkantig en getalsmatig de dingen nu zijn… Als maker ben je meer gebaat bij een grote familie en een reusachtige vriendenschare dan maandenlang eerlijk en geduldig werken op je atelier…

Die nauwe, intieme band tussen werk en wereld moet ik altijd éérst zelf tot stand brengen en vormgeven… En beschermen. Wat zeg ik, stréng bewáken!

Vervolgens vindt het zijn weg naar een koper of tentoonstelling.

Né(Goes, 23 september 1958), het pseudoniem van Yvonne Né, is een Nederlands auteur en beeldend kunstenaar.
Achtergrond

Né verhuisde op haar zeventiende naar een kamer in Breda waar zij studeerde aan de Academie voor Beeldende Kunsten. Aanvankelijk koos zij voor de richting grafische vormgeving. Na een paar maanden stapte zij definitief over naar de vrije kunst, richting monumentale vormgeving en schilderkunst. Sinds 1980 is zij werkzaam als professioneel en zelfstandig beeldend kunstenaar. In 1990 debuteerde zij met gedichten in het literaire tijdschrift De Gids. Nu beoefent zij de beide disciplines beeldende kunst en literatuur naast elkaar.

Nominaties en prijzen

Schrijversprijs der Brabantse Letteren 2003
Stadsdichterschap Breda 2005
Jan Naaijkensprijs 2006
Kunst- en Cultuurprijs Gemeente Breda 2007
Zeeuwse Boekenprijs 2009
Nominatie De Bronzen Uil 2016

Bibliografie

Het oor de bij(Uitg. Van Kemenade & Hollaers 1993)
Dun Land(Uitg. De Bezige Bij 1994)
Liggen in een gras(Uitg. Van Kemenade 1996)
Aan voeten van de zee(Slibreeks, Uitg. Kunstuitleen Middelburg 1996)
Offertoire sur les Grands Jeux(bibliofiele uitgave 1998)
De maker is anoniem familielid(bibliofiele uitgave 1999)
Dans is een eland(Uitg. De Bezige Bij 1999)
Hier mag niets af zijn(Uitg. Van Kemenade 2000)
Madrigalen voor de stad Breda(Uitg. Van Kemenade 2002)
Tot gauw!(Uitg. Van Kemenade 2006)
Rembrandts Leiden, de hele wereld in je stad(Uitg. St. Rembrandt en Leidens Gouden Eeuw 2006)
Branding de Zuiderwaterlinie(Uitg. Nieuwe Brabantse Kunst Stichting 2007)
Hier mag niets af zijn, Verzamelde Gedichten 1990-2005(Uitg. De Geus 2009)
Magic without magic(Uitg. Amphia Ziekenhuis Breda 2009)
Schaduwen kruisen(Uitg. Van Kemenade 2010)
Ockenburgh spreekt(Uitg. Van Kemenade 2010)
In een tuin(Uitg. Vespertilio, 2010)
Dit is geen verboden woord(Uitg. Van Kemenade, 2011)
De werkelijkheid houdt het lang vol(Uitg. De Geus, 2014)
Het scheve meisje (Uitg. De Geus Amsterdam 2016)

 

Interview: Hannie Rouweler

 

Advertisements

Leave a Reply

Fill in your details below or click an icon to log in:

WordPress.com Logo

You are commenting using your WordPress.com account. Log Out /  Change )

Google+ photo

You are commenting using your Google+ account. Log Out /  Change )

Twitter picture

You are commenting using your Twitter account. Log Out /  Change )

Facebook photo

You are commenting using your Facebook account. Log Out /  Change )

Connecting to %s